3 . Een installatie met Nikobus





Voordat een installatie met Nikobus gerealiseerd kan worden moeten een aantal stappen doorlopen worden. Om te beginnen dient eerst een ontwerp gemaakt te worden. Wanneer men het eens is over de opzet van de installatie worden er tekeningen gemaakt en worden er programmeerbladen ingevuld waarin de functie van de verschillende Nikobus-onderdelen vastgelegd wordt. Wanneer al het voorwerk uitgevoerd is kan men beginnen met het aanbrengen van de installatie en de verschillende Nikobus onderdelen. Als laatste moeten de schakel- en/of rolluikmodulen nog geprogrammeerd worden, waarna de installatie uitgetest kan worden.




3.1 Het ontwerp van een Nikobus-installatie.
Wanneer besloten wordt om een installatie uit te voeren met het Nikobussyteem is het belangrijk dat de opdrachtgever op de hoogte is van alle mogelijkheden die dit systeem biedt. De installateur of het adviesbureau dat het ontwerp maakt zal dit in nauw overleg met de opdrachtgever doen. Het is belangrijk dat de installateur alle mogelijkheden van het systeem kent en deze ook kan 'verkopen' aan de opdrachtgever: veel wensen van de opdrachtgever kunnen zonder probleem verwezenlijkt worden. In goed overleg kan zo een veilig, goed werkend en comfortabel systeem gerealiseerd worden.
Wanneer alle bedieningspunten, wandcontactdozen, lichtpunten, rolluiken enz. vastgesteld zijn en de functie en schakelmogelijkheden bekend zijn kan alles op papier gezet worden.




3.2 Het tekenen van de Nikobus-installatie.
Als eerste wordt de installatietekening gemaakt. Dit moet gebeuren conform artikel 8.514.5.107 van de NEN1010. Duidelijk wordt in deze tekening de plaats van alle onderdelen aangegeven. Verstandig is om voor het coderen van deze onderdelen een vast systeem aan te houden. Alle bedieningspunten worden aangeduid met BP... , alle verlichtingspunten, alle te schakelen wandcontactdozen enz. met S.... en alle rolluiken en zonneweringen met R....
Wanneer men deze coderingen consequent doorvoert maakt men minder snel een vergissing bij het programmeren of het installeren.

3.2.1 De installatietekening.
Voor de bedieningelementen van bussystemen zijn speciale symbolen ontworpen (zie bijlage).
Bij het tekenen dient men deze te gebruiken. Wanneer men een reeks bedieningselementen naast elkaar plaatst, kan men deze symbolen ook in een apart kadertje onder de plattegrond afbeelden met een verwijzing naar de plaats waar ze moeten komen.

In woonhuizen worden de schakel-/rolluikmodule(n) meestal samen met de groepsbeveiligingen in dezelfde kast geplaatst. In de schakelmodulen zijn de uitgangen per 6 elektrisch gekoppeld. Het is vanzelfsprekend dat hierdoor minimaal 6 uitgangen op één groep aangesloten worden. Dit betekend dat er voor deze groep 9 draden vanuit de meterkast vertrekken (6 schakeldraden, 1 nuldraad, 1 beschermingsdraad en 1 fasedraad).
Wanneer men dit doet moet men zich goed realiseren dat er per eindgroep minimaal twee 16 mm. buizen naar de meterkast komen. Het totale aantal buizen dat bij de meterkast samen-komt is hierdoor meer dan verdubbeld ten opzichte van een installatie zonder Nikobus.

De bedieningselementen worden aangesloten op de Nikobus. Deze Nikobus is een zwakstroomkabel en mag gezien worden als een SELV-keten (zie NEN1010 art. 411.1.4).

In de NEN1010 art. 411.1.3.2 wordt gesteld dat leidingen van SELV-ketens gescheiden moeten zijn aangelegd van de sterkstroomleidingen. Wanneer men de Nikobuskabel tesamen met de sterkstroomleidingen in één buis, wand-, plint- of kabelgoot wilt leggen, dient men voor de Nikobus een speciale kabel te gebruiken met een extra mantel met hoge doorslagvastheid (2,5 kV) b.v. YCYM of J-Y(St)Y. 2x2x0,8. Als de Nikobus volledig gescheiden (in aparte buis) gelegd wordt, kan volstaan worden met een gewone zwakstroomkabel 2x2x0,8.

De leidingloop van de Nikobus kan op verschillende manieren gerealiseerd worden. Men kan de Nikobuskabel van bedieningspunt naar bedieningspunt doorlussen. Hierbij krijgt men per bedieningspunt twee leidingen en er wordt gelast achter de busdrukknop. Op deze manier kan men alle bedieningspunten aansluiten terwijl alle laspunten bereikbaar blijven.

Een andere manier is de sterstructuur waarbij net als bij het sterkstroomdeel een centraaldoossysteem ontstaat. De moeilijkheid die zich hier voordoet is dat er (nog) geen centraaldozen met twee compartimenten bestaan. De sterkstroomlassen en de lassen van de busleiding mogen zich namelijk niet in dezelfde doos bevinden behalve wanneer deze doos twee gescheiden compartimenten heeft. De enige oplossing die dan overblijft is om twee verschillende centraaldozen te plaatsen, één voor de sterkstroom en één voor de busleiding. De centraaldozen voor de busleiding zullen echter altijd in het zicht blijven doordat aan deze dozen geen lampen opgehangen worden.


3.2.2 Het installatieschema
Het installatieschema van een installatie uitgevoerd met Nikobus kan op de gebruikelijke wijze getekend worden. Het enige verschil is dat in de schakel- en verdeelinrichting ook de Nikobus modulen opgenomen zijn. Deze kunnen per groep eenvoudig getekend worden als één contact met de aanduiding van het aantal 6x of 12x net naar gelang het aantal uitgangen dat op één groep is aangesloten. Zie ook het voorbeeld installatieschema fig. 16

De wasmachine-aansluiting vormt in een woonhuis een aparte groep welke verplicht is.
Wanneer deze aansluiting (groep) ook door de nikobus geschakeld moet worden (b.v. automatisch inschakelen op goedkoop tarief) kan dit het beste gedaan worden door tussenkomst van een magneetschakelaar. Deze magneetschakelaar wordt dan door een uitgang van de schakelmodule geschakeld (zie ook de voorbeeld tekening). Hierdoor verkrijgt men een juiste scheiding tussen de groepen.

In figuur 17 is een overzicht gegeven van de inhoud van de schakel- en verdeelinrichting.

Hier is ook duidelijk te zien hoe het een en ander is geschakeld.




3.3 De uitvoering van een Nikobus-installatie.
Wanneer in de praktijk een installatie opgebouwd wordt met het Niko-bussysteem dient men vooraf goed nagedacht te hebben over de wijze waarop men dit wilt realiseren. Het Niko-bussysteem wijkt op een aantal punten sterk af van een installatie zonder bussysteem. Voor deze afwijkingen dient een oplossing gezocht te worden. Een aantal van deze specifieke afwijkingen zijn in hoofdstuk 3.2.1 al genoemd.

Het Nikobus-systeem zal het meeste toegepast worden in de wat luxere woningbouw (hoge comfort klasse). In de woningbouw heeft men meestal te maken met het centraaldoos-systeem. Het is echter ook mogelijk dat het Nikobus-systeem toegepast wordt in kleinere kantoorge bouwen. In deze kantoorgebouwen wordt meestal een systeemplafond toegepast.
In deze situatie werkt men niet meer met centraaldozen maar wordt boven het systeemplafond een opbouw installatie aangebracht. Het is zelfs mogelijk om boven het systeemplafond kabelgoten aan te brengen. Ook wordt in deze omgeving veel gebruik gemaakt van wandgootsystemen waarin al het schakelmateriaal is ondergebracht.



Het aansluiten van de Nikobus-drukknoppen
Op ieder bedieningspunt in de installatie is maar één inbouwdoos nodig. Op deze inbouwdoos wordt de z.g. muurprint bevestigd.
Voor verdere gegevens over monteren en aansluiten van busdrukknoppen zie ook 2.3.3

In de volgende hoofdstukken wordt apart in-gegaan op installaties uitgevoerd volgens het centraaldoossysteem en installaties in kantoorgebouwen.


3.3.1 Nikobus en het centraaldoossysteem
Zoals al eerder is aangegeven is het centraaldoossysteem, waarin de meeste woonhuisinstallaties zijn uitgevoerd, niet echt bedoeld om te werken met bussystemen.
De zaken waar men rekening mee moet houden zijn:

1e Veel meer leidingen naar de meterkast.
Doordat de schakelmodulen in de meterkast geplaatst worden moeten alle schakeldraden apart naar de meterkast toe. Wanneer per groep op 6 schakeldraden gerekend wordt, zijn er per groep minimaal twee 16mm buizen nodig (per buis 1xN, 1xPE en 3xSchakel). Wanneer in een groep ook nog een fase-draad mee moet zal er nog een derde buis bijgelegd moeten worden of er moet 19mm buis gebruikt worden.

2e Extra zwakstroom busleidingen-net.
Naast het sterkstroomnet naar alle lichtaansluitpunten, geschakelde wcd's en toestellen heeft het Nikobus-systeem ook nog een zwakstroomnet (de busleiding).

Het handigste is om deze busleiding van schakelaar naar schakelaar door te lussen. De laspunten blijven op deze manier altijd bereikbaar. Bij uitbreiding kan er vanuit iedere willekeurig laspunt een aftakking gemaakt worden.

Bij een wat uitgebreidere installatie is het verstandig om niet alle schakel- en rolluikmodulen op één plaats te concentreren, dit geeft onnodig lange schakeldraden. Het is dan aan te bevelen om verschillende onderverdeelinrichtingen te plaatsen met in iedere onderverdeelinrichting één of meerdere modulen.


3.3.2 Nikobus in de utiliteitsbouw
Ook in de utiliteitsbouw (bedrijfsgebouwen, kantoren, scholen, etc.) kan het Nikobussysteem toegepast worden. De installaties in deze sector zijn over het algemeen anders van opzet dan in een woonhuis. Het centraaldoossysteem wordt hier zelden toegepast.

Bij veel aansluitpunten (veel schakelmodulen) is het ook hier verstandig om op meerdere plaatsen een onderverdeelinrichting aan te brengen.

Doordat men in de utiliteitsbouw meestal werkt met verlaagde plafond-systemen is het aantal leidingen per eindgroep van minder belang. Boven het verlaagde plafond heeft men immers ruimte genoeg. Zeker als er met kabel in kabelgoot gewerkt wordt zal dit probleem geen rol meer spelen.

De busleiding kan in dit geval boven het verlaagde plafond in speciale lasdozen gelast worden. Om vergissingen uit te sluiten is het verstandig om voor de busleiding een ander type lasdoos te gebruiken dan voor de sterkstroomleidingen.
Wanneer gebruik gemaakt wordt van wandgoten met daarin het schakelmateriaal gemonteerd, (zoals in kantoren veel toegepast wordt) kan de busleiding tesamen met de sterkstroomkabels in deze wandgoot gelegd worden. Ook hier kan de buskabel dan achter de busdrukknop door gelust worden. Wanneer er geen gebruik gemaakt wordt van scheidingsschotten dan moet er speciale buskabel gebruikt worden zie 3.2.1.




3.4 Vragen en opdrachten.

1 Welke coderingen worden er gebruikt bij een Nikobus-installatietekening?

2 Verklaar waarom bij een Nikobus-installatie meer leidingen bij de meterkast samen-komen dan in conventionele installaties.

3 Zoek in de NEN1010 op wat een SELV-keten is.

4 Onder welke voorwaarde mag de Nikobuskabel tesamen met sterkstroomleidingen in één kabelgoot gelegd worden?

5 Hoe kan de leidingloop voor de busleiding het beste uitgevoerd worden?

6 Hoe kan een wasmachine-aansluiting die geschakeld moet worden het beste gerealiseerd worden?

7 Als men bij een uitgebreide installatie alle modulen in de meterkast plaatst zal men veel leidingen naar de meterkast krijgen. Welke andere mogelijkheid is er om dit te voorkomen?

8 In kantoren werkt men meestal met verlaagde-plafond-systemen. Wat voor voordelen heeft dit voor een businstallatie?