![]() |
![]() |
6. Het in bedrijfstellen van het AS-Interface systeem
6.1 programmeren van de AS-Interface-gateway
Een gateway is een elektronische module die onder andere de communicatie verzorgt tussen netwerken met verschillende protocollen. Een protocol is een omschrijving van de wijze waarop de datacommunicatie plaatsvindt. In ons geval hebben we te maken met aan de ene kant de AS-Interface-bus en aan de andere kant bijvoorbeeld profibus, modbus enzovoorts.
De AS-Interface-gateway is voor de AS-Interface-bus de master, maar voor het hoger liggende netwerk een slave. Als slave krijgt de gateway een slave-nummer van het hoger liggende netwerk. Hiermee weet de master van het hoger liggende netwerk waar de gateway te bereiken is. Het instellen van het slave-nummer kan op de gateway gedaan worden. Hiertoe worden de "SET"- en de "MODE"-knop, gedurende tenminste 5 seconden, gelijktijdig ingedrukt. Het ingestelde slaveadres wordt nu op de display weergeven. Stel het adres met de "SET"-knop in op de gewenste waarde en druk kort op de "MODE"-knop.

De gateway is voorzien van een aantal LED's die de volgende betekenis hebben:
-
Power
-
Hoger
-
Netwerk
-
Config error
-
U-Asi
-
Asi actief
-
Prg enable
-
Prj mode
In het begin van de programmeerstand geeft de LCD-display in volgorde aan welke slave's op de AS-Interface-bus zijn aangesloten. Een leeg display geeft aan dat er geen slave's herkend worden.
Ín de bedrijfsmode geeft het display niets aan of het geeft een foutcode aan. Als het display een getal aangeeft dat hoger is dan 31, wordt er een status- of een foutcode van de master weergegeven. De foutcodes die voor kunnen komen zijn:
| 40 | De AS-Interfase-master is offline. |
| 41 | De AS-Interfase-master bevindt zich in de herkenningsfase. |
| 42 | De AS-Interfase-master bevindt zich in de activeringsfase. |
| 43 | De AS-Interfase-master is in bedrijf. |
| 66 | Foutieve input / outputlengte. |
| 70 | Hardware fout: de Eeprom |
| 71 | In de AS-Interface-master kan niet beschreven worden |
| 72 | Hardware fout: de interupt-vlag van de PIC processor kan niet worden gereset. |
| 73 | Hardware fout: De interupt-vlag van de PIC processor kan niet worden geset. |
| 74 | Hardware fout: Checksum-fout in EEprom geheugen. |
| 80 | Er is een slave met adres "0" herkend. Er werd geprobeerd, de PRJ-mode met een slave "0" aangesloten te verlaten |
| 81 | Algemene fout bij het veranderen van een slave-adres. |
| 82 | De toetsbediening op het front is geblokkeerd door de PLC. |
| 88 | Displaytest bij het opstarten van de AS-Interface-master |
| 90 | Er is geen slave met adres "0" aangesloten. Deze fout kan optreden bij het handmatig adresseren in de configuratie mode. |
| 91 | Het opgegeven doel adres is reeds gebruikt. Deze fout kan optreden bij het handmatig adresseren in de configuratie mode. |
| 92 | Het opgegeven slave adres kan niet worden opgeslagen. |
| 93 | Het opgegeven slave adres kon slechts vluchtig worden opgeslagen. |
| 93 | De slave heeft een verkeerde configuratie. |
| 95 | Het opgegeven doeladres is reeds in gebruik. Deze fout treedt op bij het programmeren van een adres in beschermde bedrijfsmode. |
Nadat de master van een adres is voorzien, moeten de AS-Interface-slaves een adres krijgen. Dit kan op twee manieren; met een handprogrammeerapparaat of via de gateway.
Hand programmeerapparaat
Met de hand:
Koppel de slave af van de AS-Interface-kabel en sluit deze aan op het programmeerapparaat en stel het adres is. Kijk in de handleiding hoe dit gaat.
Als alle slaves geadresseerd zijn herkent de master deze automatisch.
Automatisch in de configuratiemode.
In de configuratiemode worden alle herkende slaves geactiveerd, ook bij een verschil tussen de werkelijke instelling van de slaves en de instelling van de master. De master kan in de configuratiemode gezet worden door de modeknop 5 seconden ingedrukt te houden. In deze toestand brandt de LED PRJ-mode. In het LCD-display worden achtereenvolgens de lijst van alle herkende slaves met een snelheid van twee per seconde weergegeven. Als het display leeg blijft worden er geen slaves herkend. In deze toestand worden alle slaves geactiveerd, met uitzondering van een slave met adres "0".
Adressering in de configuratiemode.
Een nieuw aangesloten slave die het adres "0" heeft, kan van een vrij adres worden voorzien. Drukt men kort op "SET", dan wordt het eerste vrij adres weergegeven. Herhaalt op "SET" drukken geeft de volgende vrije adressen weer. Door minstens 5 seconden op "SET", wordt het adres als doeladres gekozen. Dit adres gaat knipperen in het display. De master bevindt zich nu in de programmeer stand. Door nogmaals kort op "SET" te drukken, wordt dit adres toegekend aan de eerstgevonden slave met het adres "0". Indien hierbij een fout optreedt, wordt dit op het display weergegeven. Is alles goed gegaan, dan geeft het display weer de lijst met aangesloten slaves.
Normale (beschermde) bedrijfsmode.
De Master kan uit de configuratiemode worden gehaald door de toets MODE voor minstens 5 seconden in te drukken. Tegelijk wordt de lijst van de LDS (List of Detectected Slaves) gekopieerd naar de LPS (List of Projected Slaves) oftewel de werkelijke configuratie wordt gekopieerd naar de ingestelde configuratie. Wil men naar de normale bedrijfsmode, zonder de configuratie te kopiëren, dan dient men de MODE toets slechts kort in te drukken. Zolang er nog een slave met het adres "0" aanwezig is, kan men de configuratiemode niet verlaten. In de normale bedrijfsmode worden alleen de slaves geactiveerd, die in de LPS zijn opgenomen.
Zolang er geen fout optreedt in de configuratie, is het LCD display leeg. In alle andere gevallen wordt het laagste adres aangegeven, waar een fout geconstateerd is. Een fout ontstaat, wanneer een slave herkend of geconfigureerd is in de LDS of de LPS, maar niet geactiveerd kan worden. Een korte druk op de SET toets laat de volgende fout zien.
6.2. Adressering bij configuratiefouten.
Automatische adressering
Mocht een slave defect raken, dan kan deze door een soortgelijk type worden vervangen. Indien dit een nieuwe slave is (adres 0), zal de master deze herkennen en de betreffende slave automatisch het adres van de defect geraakte slave toekennen. Hiervoor moet voldaan zijn aan de volgende voorwaarden:
| - | De AS-Interface-master moet zich bevinden in de normale bedrijfsmode. |
| - | De vrijgave vlag ÄUTO PROG" moet gezet zijn. |
| - | Er mag maar één slave tegelijk defect zijn. |
Indien aan deze voorwaarden is voldaan, dan brandt op de master de LED "PRG ENABLE". Indien nu een slave met het adres "0"wordt aangesloten, dan wordt het betreffende slave adres hier aan toegekend. Als de slave van een ander type is, zal deze niet automatisch worden geadresseerd.
Als er gelijktijdig meerdere slaves defect raken, kan de master deze niet automatisch adresseren. In dat geval moeten de vervangende slaves één voor één geadresseerd worden.
In de normale bedrijfsmode worden configuratiefouten (zoals defecte of ontbrekende slaves) weergegeven in het display van de master. Door herhaaldelijk op SET te drukken kan men de hele lijst van defecte of ontbrekende slaves doorlopen. Bij het weergeven van een defect adres, drukt men minstens 5 seconden op SET. Het adres gaat nu knipperen. Vervang nu de defect slave door een nieuwe met het adres "0" en druk kort op SET. Ga nu naar de volgende fout en herhaal het voorgaande. Uiteraard moeten de vervangende slaves van hetzelfde type zijn als de defecte.
Is de vervanging van defecte slaves succesvol, dan zal het display leeg zijn.
6.3. Opstarten van de AS-Interface-master
Na het inschakelen van de voedingsspanning wordt er een zelftest uitgevoerd en worden alle LCD segmenten en LED's ongeveer een seconde aangestuurd. Daarna tonen de LED's de toestand van de verschillende bedrijfsmeldingen. Op de display komen achtereenvolgens de volgende meldingen:
| 88 | Test van het LCD-display en LED's (1 seconde). |
| 40 | De AS-Interfase-master is offline. De master wordt geïnitialiseerd, er wordt geen data uitgewisseld. Is de spanning op het AS-Interface-netwerk niet correct dan blijft de master in de offline mode. |
| 41 | De AS-Interfase-master bevindt zich in de herkenningsfase. Dit is het begin van het opstart proces. De master kijkt welke slaves er aangesloten zijn. Worden er geen slaves erkent dan blijft de master deze melding geven. |
| 42 | De AS-Interfase-master bevindt zich in de activeringsfase. Deze geeft de toestand aan het einde van de opstart procedure. Hierbij worden de parameters van de aangesloten slaves naar de master overgedragen. |
| 43 | De AS-Interfase-master is in normale bedrijfmode. In de normale of beschermde bedrijfsmode kan de master met alle slaves data uitwisselen, er worden management-telegrammen overgedragen en er wordt naar nieuwe slaves gezocht en geactiveerd. |
Het opstarten kan zo snel gaan dat de laatste twee nummers niet op de display zichtbaar worden.
6.4. Montage oefening
Deze oefening is bestemd voor de niveaus 2 tot en met 4 en beoogt het aanleren van de handvaardigheid met betrekking tot de AS-I-bustechnologie.
De docent geeft de juiste maten aan.
Voor niveau 2 en 3 programmeert de docent de PLC.
Voor niveau 4 kan deze oefening tevens als programmeer opdracht gebruikt worden.
Niveau 2, 3 en 4
1.
Bouw de onderstaande installatie
2.
Adresseer de slaves met het handprogrammeerapparaat.
3.
Test de installatie op de juiste werking.
Niveau 3 en 4
4.
Als de installatie juist werkt, verwijder dan 1 slave. Noteer wat je waarneemt.
5.
Geef de verwijderde slave het adres 0 en sluit deze weer aan. Adresseer de slave weer in de configuratie mode.
6.
Maak een testrapport.
Niveau 4
7.
Ontwerp een PLC programma voor de installatie volgens NEN 1131. De werking van de installatie is volgens ondertaande omschrijving.
8.
Stel een complete gebruikers documentatie samen
9.
Maak een vergelijkende kostprijscalculatie van de installatie in AS-I en conventionele uitvoering.
10.
Vergelijk de twee uitvoeringsmethoden.
6.5. Werking
Motor M1 wordt gestart met drukknop S1 en gestopt met drukknop S2 De signaallamp H1in brandt als de motor M1 draait. De signaallamp H2 brandt als de motor M1 stilstaat.
Motor M2 wordt rechtsom gestart met drukknop S3 en linksom met drukknop S5. De drukknop S4 is de stopdrukknop. De rechtse draairichting is begrensd door eindschakelaar S7 en de linkse draairichting door eindschakelaar S8.
De signaallamp H3 brandt als de motor M2 linksom draait en de signaallamp H5 als de motor rechtsom draait. De signaallamp H4 brandt als de motor M2 stilstaat.

